Actualiteiten Beslag- en executierecht

  • Tijd: 13.30 uur - 18.00 uur
  • Datum: 03-12-2020
  • Locatie: Online
  • Prijs: 299,- excl. BTW
  • PO punten: 4
  • Docent: Prof. mr. A.W. Jongbloed

Actualiteiten Beslag- en executierecht

Binnen het executie- en beslagrecht hebben zich de laatste tijd diverse ontwikkelingen voorgedaan. De belangrijkste is de (op 1 oktober 2020 grotendeels in werking tredende) Wet van 3 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet in verband met de herziening van het beslag- en executierecht (Stb. 177). Zo worden de beslagvrije zaken van art. 447 en 448 Rv aangepast aan de eisen van de tijd en wordt ook een beslagvrije voet bij bankrekeningen ingevoerd. Ook is het in principe niet toegestaan roerende zaken in beslag te nemen indien redelijkerwijs voorzienbaar is dat de opbrengst die gerealiseerd kan worden door het verhaal op die zaken minder bedraagt dan de kosten van de beslaglegging en de daaruit voortvloeiende executie. Wat betekent dit voor de rechtspraktijk? Beschikt de schuldeiser nog wel over verhaalsmogelijkheden? Gelukkig brengt de wetswijziging ook de mogelijkheid van verkoop van roerende zaken via internet.

Met enige regelmaat wijst de Hoge Raad belangrijke arresten op het gebied van het executie- en beslagrecht. In zijn arrest van 20 december 2019 (RvdW 2020/88, Hotel-restaurant De Zeester) is de Hoge Raad gedeeltelijk teruggekomen van zijn rechtspraak zoals ingezet met het arrest Ritzen/Hoekstra van 22 april 1983 (NJ 1984/145), waarin voor een executiegeschil in kort geding als maatstaf misbruik van bevoegdheid was voorgeschreven (art. 3:13 BW). De Hoge Raad heeft beslist dat, indien in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd van een uitspraak waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, de vordering aan de hand van dezelfde maatstaf moet worden beoordeeld als een vordering of verzoek tot schorsing als bedoeld in art. 351 en 360 lid 2 Rv. Verder valt te wijzen op HR 15 april 2016, NJ 2017/122 (Bouten/ABC wonen), waar antwoord werd gegeven op de vraag of een dwangsom kan worden verbonden aan de veroordeling tot medewerking aan de levering van onroerend goed indien daarin begrepen is de verplichting tot betaling van de koopsom. Ook wordt het steeds moeilijker voor degene die een vordering heeft op een buitenlandse staat om zich te verhalen op zich in Nederland bevindende bezittingen, zo blijkt uit HR 30 september 2016, NJ 2017/190 (Morning Star/Gabon). Op 13 september 2013, NJ 2014/455 (Molenbeek Invest/Begeer) sprak de Hoge Raad uit dat de mogelijkheid om bewijsbeslag te leggen niet is beperkt tot het intellectuele eigendomsrecht. Met HR 28 september 2018, NJ 2019/70 (Organik/Dow Chemical) is een vervolgstap gezet. Inmiddels is er een wetsvoorstel tot herziening van het bewijsrecht waarin het bewijsbeslag een plaats krijgt. Ook is daarin een plaats ingeruimd voor het proces-verbaal van constatering.

Een vraag die nog niet eenduidig beantwoord wordt is hoever de schuldenaarsverplichting reikt om inkomensbronnen op te geven (vgl. art. 475g Rv). En is die verplichting beperkt tot de Nederlandse bezittingen of moeten ook buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen worden genoemd?

Ook wordt aandacht besteed aan de vraag of een gerechtsdeurwaarder de facto verplicht is af te zien van een beslag ten laste van een buitenlandse mogendheid.

Prof. Mr. A.W (Ton) Jongbloed promoveerde in 1987 op het onderwerp Reële executie in het privaatrecht. Hij is verbonden aan de Universiteit Utrecht en vanaf 2002 hoogleraar executie- en beslagrecht. Daarnaast is hij onder meer raadsheer-plaatsvervanger in Amsterdam en Leeuwarden en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor de Procespraktijk.

Deze cursus is beoordeeld met een 7,5!

Heldere docent

X